Schadeverzekeraars boeken beste rendement sinds 2021

Groei zwakt af en solvabiliteit loopt op
Door Stephan Potters, Pascal Dobbelstein en Melchior Mattens – augustus 2026

De Nederlandse schadeverzekeringsmarkt heeft in 2025 het beste verzekeringstechnische jaar sinds 2021 gedraaid. Het rendement verdubbelde bijna van 3,1% naar 5,9% van de bruto premie en de netto combined ratio zakte naar 94,1%. Tegelijkertijd zwakt de premiegroei af: 4,8% tegen 6,7% in 2024. De rendementsmaatregelen van de afgelopen jaren werken door, terwijl de inflatiebijstellingen uit de portefeuille lopen. Het weer werkte mee: extreem weer kostte verzekeraars ruim €155 miljoen, ongeveer de helft van 2024. De solvabiliteitsratio steeg van 169% naar 172%.

Voor het eerst sinds de invoering van Solvency II daalde het aantal schadeverzekeraars die aan DNB rapporteren niet: het bleven er 61, zonder toe- of uittreders.

Arcturus analyseert op basis van openbare Solvency II cijfers van De Nederlandse Bank (DNB) de trends op de Nederlandse verzekeringsmarkt, met een focus op de verschillen tussen kleine, middelgrote en grote schadeverzekeraars.

Marktaandelen

We delen de markt van Nederlandse schade­verzekeraars[1] op in segmenten op basis van de bruto premie: “klein” heeft minder dan €110 mln., “middelgroot” tussen €110 mln. en €750 mln., en “groot” daarboven.

Daalt het aantal schadeverzekeraars dat aan DNB rapporteert nog steeds? Voor het eerst niet. Bij de start van Solvency II (2016) waren er 73 schadeverzekeraars; over 2024 waren dat er 61 en over 2025 opnieuw 61 die onder het toezicht van DNB staan. In 2025 trad geen enkele verzekeraar toe of uit — een breuk met de gestage consolidatie van de afgelopen tien jaar, waarin de markt met 16 rapporterende verzekeraars afnam. Of dit het einde van de consolidatiegolf markeert of slechts een adempauze, zal 2026 moeten uitwijzen. Wel is Zevenwouden inmiddels per 1 juli 2026 overgenomen door De Goudse Verzekeringen, en is Bovemij opgenomen door a.s.r.

Binnen de markt is er wel een verschuiving zichtbaar. N.V. Univé Schade groeide met 15% door naar €771 mln. bruto verdiende premie en passeerde daarmee de grens van €750 mln. Voor het eerst sinds 2018 telt Nederland op basis van de Arcturus segmentatie weer vier grote schadeverzekeraars: Achmea, a.s.r., NN en Univé. Aan de andere kant zakte UK P&I Club, na een halvering van het premievolume, terug van middelgroot naar klein.

Dat verklaart vrijwel de volledige verschuiving in de analyse ten opzichte van vorig jaar: het segment “groot” springt van 60,6%[2] naar 64,8% marktaandeel, en het segment “klein” beweegt van 7,4% in 2024 naar 8,0% in 2025. Rekenen we met de vernieuwde segmentindeling van 2025, dan blijft het procentuele aandeel van de vier grote verzekeraars redelijk stabiel over de periode 2020-2025 (gemiddeld 64,5%). In Figuur 1 is te zien dat het gezamenlijke aandeel van de vier grootste verzekeraars ten opzichte van 2024 lichtelijk daalde, van 65,3% naar 64,8%.

Figuur 1: Marktaandeel segmenten Schadeverzekeraars (gemeten naar bruto premie)
De totale bruto verdiende premie groeide in 2025 met 4,8% tot €16,8 mld. Dat is een duidelijke afzwakking ten opzichte van 2024 (6,7%) en 2023 (5,9%), en het laagste groeicijfer sinds 2020. De verklaring ligt voor de hand: de forse inflatiebijstellingen die de premiegroei in 2022–2024 opdreven, zijn grotendeels doorgevoerd. Bij een genormaliseerde inflatie valt de markt terug op volumegroei en beperkte prijsindexatie. Tegelijkertijd laat het rendementsherstel (zie verderop) zien dat verzekeraars de premie- verhogingen niet zijn blijven stapelen zodra de resultaten op orde kwamen. Corrigeren we naar segment op basis van de indeling van 2024, dan groeiden kleine verzekeraars met 5,9%, middelgrote met 7,5% en grote met 3,2%. De kleine verzekeraars groeien dus nog altijd relatief hard, maar het beeld is minder uitgesproken dan vorig jaar. De uitschieters zitten opnieuw bij de nieuwkomers: TT Club Mutual Insurance (+177%) en Lemonade (+158%) verdrievoudigden respectievelijk verdubbelden hun volume.

Solvabiliteit

De solvabiliteitsratio van de Nederlandse schadeverzekeraars steeg in 2025 voor het tweede jaar op rij: gemiddeld staat er 172% vermogen tegenover het vereiste solvabiliteitskapitaal (SCR), een toename van ruim 3 %-punt. Daarmee is de daling van 2023 nagenoeg volledig hersteld en ligt de markt terug op het niveau van 2020–2021. Het in aanmerking komend eigen vermogen groeide van €11,4 mld. naar €12,0 mld. (+5,2%), terwijl de SCR met slechts 3,3% toenam. Dat de kapitaalvereiste achterblijft bij de vermogensaanwas is het spiegelbeeld van vorig jaar, toen beide vrijwel gelijk opliepen.
Figuur 2: Solvabiliteitsontwikkeling Schade­verzekeraars
De stijging zit bij de kleine verzekeraars, die van 230% naar 233% gingen — het hoogste niveau sinds de start van Solvency II. Middelgrote  verzekeraars daalden licht van 202% naar 200%, grote verzekeraars stegen relatief hard van 145% naar 151%. Het verschil tussen de segmenten blijft daarmee groot: kleine verzekeraars hanteren al jaren een fors hogere interne kapitaalnorm, wat verklaarbaar is vanuit het feit dat zij meer afhankelijk zijn van hun eigen kapitaalpositie en minder diversificatievoordeel behalen. Achter het gemiddelde schuilt wel spreiding. De mediane verzekeraar zit op 220%, het onderste kwartiel op 175%. Zeven verzekeraars rapporteerden een ratio onder de 150%, tegen negen in 2024; de laagste stond op 110%. Onder hen bevinden zich twee van de vier grote verzekeraars — dat is geen alarmsignaal, maar de weerslag van een bewust efficiëntere kapitaalinzet bij partijen die op groepsniveau over aanvullende buffers beschikken. Kijken we naar de opbouw van de SCR, dan is marktrisico opnieuw de snelst groeiende component (+14% marktbreed onder de standaardformule-gebruikers), terwijl het schadeverzekeringstechnisch risico met 4% ongeveer meegroeide met de premie. Bij middelgrote verzekeraars liep het marktrisico zelfs met 17% op. Na twee gunstige beleggingsjaren zit er dus meer (markt)risico in de balans, hetgeen zich bij een omslag op de financiële markten sneller door-vertaalt in de solvabiliteit van de schadeverzekeraars.
Figuur 3: Opbouw van de SCR in 2025 (% van de SCR, alleen verzekeraars die de standaardformule hanteren)
In Figuur 3 is zichtbaar dat kleine verzekeraars defensiever beleggen dan de grotere: de SCR voor marktrisico is 29% van de totale SCR, tegen 55% bij middelgroot. Daar staat tegenover dat kleine verzekeraars een opvallend hoog tegenpartijkredietrisico dragen (18% tegen 5% bij middelgroot) — het directe gevolg van hun sterke afhankelijkheid van herverzekering, waarover verderop meer. De aftrekpost belastingcorrectie (LAC-DT) blijft bij kleine schadeverzekeraars beperkt tot -/-5%, tegen -/-26% bij middelgrote verzekeraars ten opzichte van de SCR (na belastingcorrectie).

Bij het segment “groot” past een kanttekening: van de vier grote verzekeraars hanteren er twee een partieel intern model, waardoor het beeld in Figuur 3 daar op slechts twee verzekeraars is gebaseerd.

Rendementsontwikkeling

Welk segment in de schadeverzekeringsmarkt is het meest winstgevend als we kijken naar verzekeringstechnisch rendement? Over de hele markt verbeterde het resultaat van 3% naar 6% van de bruto verdiende premie — het beste jaar sinds 2021 en, als we het coronajaar 2021 als uitzonderlijk beschouwen, het beste jaar in de hele Solvency II-reeks. Deze cijfers bevatten  premie, schade, herverzekering en kosten, dus geen beleggingsrendementen. Zie Figuur 4.

Het meest opvallende aan Figuur 4 is niet het niveau, maar de convergerende beweging. Waar de segmenten historisch een vaste rangorde kenden — klein bovenaan, groot onderaan — schuiven ze in 2025 dicht naar elkaar toe: klein 7,8%, middelgroot 6,4%, groot 5,5%. Het verschil tussen klein en groot bedroeg in 2020 nog 4,6 %-punt; nu is dat 2,3 %-punt.

Twee bewegingen liggen hieraan ten grondslag. Ten eerste hebben de middelgrote en grote verzekeraars hun rendementsmaatregelen effectief doorgevoerd: zij kwamen van -/-1,5% en +0,4% in 2023 en hebben in twee jaar tijd zes à zeven procentpunt goedgemaakt. Ten tweede staat het structurele voordeel van dekleine verzekeraars onder druk. Hun rendement daalde in 2024 nog van 6,7% naar 3,7%, herstelde in 2025 tot 7,8%, maar ligt daarmee nog altijd onder het niveau van 2019–2022. De verklaring die wij vorig jaar gaven, blijft staan: de snelst groeiende en recent toegetreden kleine verzekeraars hebben structureel een lagere marge, en de gunstige covid-effecten op de schadelast zijn definitief uitgewerkt.

Figuur 4: Verzekeringstechnische rendement per segment (% van bruto verdiende premie)
Ook de breedte van het herstel is bemoedigend. In 2023 draaide een op de drie schadeverzekeraars verzekeringstechnisch verlies (20 van de 62); in 2025 is dat teruggelopen naar 13 van de 61. Bij de kleine verzekeraars daalde het aantal verliesgevende partijen van 11 naar 9.

Waar komt het rendementsherstel vandaan? De netto combined ratio — schaden plus kosten   gedeeld door netto verdiende premie — daalde van 96,9% naar 94,1%. Alle drie de segmenten verbeterden, waarbij de grote verzekeraars met 3 %-punt de grootste stap zetten.

Kijken we naar de situatie voor aftrek herverzekering, dan zien we dat de bruto schaderatio steeg van 61,2% naar 61,9%. Dat is een behoorlijke verslechtering, want de schade neemt in 2025 harder toe dan de premie bovenop een jaar waarin de premie reeds met bijna 5% groeide: in euro’s namen de schaden dus aanmerkelijk toe. Het weer speelde juist een mitigerende rol. Volgens de Klimaatschademonitor van het Verbond van Verzekeraars zorgde extreem weer in 2025 voor ruim €155 mln. aan verzekerde schade, ongeveer de helft van 2024. Storm was met ruim €60 mln. de grootste post, gevolgd door hagel (circa €50 mln.) en neerslag (circa €35 mln.).

Historisch gezien is dat een gunstig jaar — wat meteen de kwetsbaarheid van het huidige resultaat blootlegt: één zware storm of hagelbui verandert dit beeld aanzienlijk. Klimaatverandering is dus een bepalend risico, zoals ook blijkt uit andere publicaties van Arcturus.

Over de kostenratio past een waarschuwing. Op marktniveau lijkt die te dalen van 30,8% naar 27,3%, wat op een sprong in efficiency zou wijzen. Die daling is echter vrijwel volledig toe te schrijven aan één verzekeraar: Achmea heeft in 2025 schadebehandelingskosten verschoven van “gemaakte kosten” naar “geleden schaden”, waardoor de kostenratio daar van 31,1% naar 21,7% ging en de schaderatio van 64,4% naar 70,3%. Het totaal — en dus het rendement — verandert daardoor niet. Laten we Achmea buiten beschouwing, dan daalt de marktkostenratio van 30,7% naar 30,4%: een voortzetting van de geleidelijk dalende trend.

De kleine verzekeraars hebben nog altijd een duidelijk lagere kostenratio (25,8%) dan middelgrote (30,6%) en grote verzekeraars (26,1%). Dat voordeel is deels structureel — eenvoudiger  producten, minder overhead, vaak een ‘onderlinge’ model — maar het wordt, zoals we hierna zien, voor een deel weer ingeleverd bij de herverzekeraar.

LAC-DT

Kleinere verzekeraars maken nog altijd beduidend minder gebruik van de belastingcorrectie dan middelgrote en grote verzekeraars. Hierbij rijst de vraag of de volledig beschikbare LAC-DT ruimte wel effectief wordt benut?
Figuur 5: Ontwikkeling benutte LAC-DT (%)
Voor het eerst sinds 2016 is de neerwaartse trend bij kleine verzekeraars gebroken: de benutte LAC-DT verdubbelde nagenoeg van 3,1% naar 5,5% van de SCR vóór belastingcorrectie. Dat lijkt gunstig nieuws, maar bij nadere beschouwing is het geen brede kentering. De volledige stijging is toe te schrijven aan een kleine groep verzekeraars. Buiten deze groep is er nog weinig beweging zichtbaar. Sterker nog: het aantal kleine verzekeraars dat in het geheel géén LAC-DT hanteert, steeg van 19 naar 22 — meer dan de helft van dit segment. Middelgrote en grote verzekeraars zitten inmiddels op 17,6% respectievelijk 18,6% van de SCR vóór belastingcorrectie, oftewel op circa 68% en 72% van het theoretische maximum van 25,8%. De onderliggende oorzaak ligt in het feit dat DNB steeds hogere eisen stelt aan de onderbouwing van LAC-DT, en dat kleinere verzekeraars vaak minder knowhow hebben en middelen om daarin te investeren. Daarmee creëren zij een ongelijk speelveld voor zichzelf: ze moeten relatief meer kapitaal aanhouden, wat leidt tot hogere kosten. Gegeven dat juist de kleine verzekeraars het hoogste verzekeringstechnische rendement behalen — en dus toekomstige winsten hebben om verliezen tegen af te zetten — lijkt er nog volop ruimte in het vat om de benutting van hun LAC-DT te verruimen. Het geaccepteerde LAC-DT-model van Arcturus helpt bij de benodigde onderbouwing. Hier zijn al verschillende verzekeraars mee geholpen en daarnaast levert een LAC-DT-optimalisatie praktische stuurinformatie op ten aanzien van kapitaalsturing en kapitaalgeneratie.

Trends in herverzekering

De herverzekeringsmarkt is aan het kantelen. Waar DNB in november 2024 nog waarschuwde voor een verhardende markt met beperktere  capaciteit, lieten de renewals van 1 januari 2026 forse premiedalingen zien, makelaars rapporteerden risico-gecorrigeerde prijsdalingen van circa 12,5% tot 21% voor property catastrofe contracten, waarmee de tarieven terugvielen naar het niveau van vier jaar geleden — zij het wel met hogere eigen behouden en strengere voorwaarden. Voor de boekjaarcijfers over 2025 was die verzachting enkel zichtbaar bij de kleinere verzekeraars.
Figuur 6: Herverzekerings­premie t.o.v. bruto verdiende premie
Figuur 6 toont dat de herverzekeringspremie marktbreed 9% van de bruto verdiende premie bedroeg, vrijwel gelijk aan 2024. Onder dat stabiele gemiddelde gaan de segmenten echter een verschillende kant op. Kleine verzekeraars cedeerden 36% van hun bruto premie, tegen 33% in 2022 en 28% in 2020 — een aanmerkelijke toename gedurende de afgelopen zes jaar. Middelgrote (12%) en grote verzekeraars (4%) daalden juist licht.

Dat kleine verzekeraars meer risico afdekken, verlaagt hun kapitaalvereiste: in Figuur 3 zagen we dat het schadeverzekeringstechnisch risico bij kleine verzekeraars 65% van de SCR beslaat tegen 70% bij middelgroot. Maar het risico verdwijnt niet, het verplaatst zich. Het tegenpartijkredietrisico is bij kleine verzekeraars dan ook met 18% van de SCR ruim drie keer zo hoog als bij middelgrote verzekeraars, en dat aandeel groeit mee met de cessies.

Figuur 7: Netto kosten van herverzekering (premie minus herverzekerde schade t.o.v. bruto verdiende premie)
Herverzekering verlaagt het risico en de kapitaalvereiste, maar drukt meestal ook het rendement — herverzekeren kost gemiddeld genomen geld. In 2025 kostte herverzekering de markt 5% van de premie, nagenoeg gelijk aan 2024. Voor grote verzekeraars zijn de kosten al jaren stabiel tussen de 1% en 3%. Voor kleine verzekeraars nemen ze gestaag af, van 17% vorig jaar naar 15% in 2025.

De kleine verzekeraars leveren daarmee een deel van hun kostenvoordeel weer in. Hun kostenratio ligt circa 5 %-punt lager dan die van middelgrote verzekeraars, maar hun netto herverzekeringskosten liggen 6 %-punt hoger. Dat zij desondanks het hoogste verzekeringstechnische rendement behalen, zegt iets over de kwaliteit van hun onderliggende portefeuille — maar ook iets over hoeveel er te winnen valt aan de herverzekeringstafel.

Met een verzachtende markt en dalende tarieven ligt hier voor 2026 een concrete kans. Evenals DNB concludeerde na haar sectorbrede analyse blijft het zaak voor met name kleine schadeverzekeraars om de opzet van hun herverzekeringsprogramma kritisch tegen het licht te houden: sluit het programma aantoonbaar aan bij de risicobereidheid, en is het eigen behoud nog passend bij de gegroeide kapitaalpositie? Bij drie van de vijf onderzochte verzekeraars constateerde DNB aantoonbare tekortkomingen. Een zachtere markt biedt het moment om die vragen te stellen.

Resultaten per branche

Een gemiddeld rendement van 6% in 2025, hoe is dat tussen de verschillende branches verdeeld? Voor de grootste schadebranches is het beeld sinds 2020 als volgt:
Figuur 8: Rendementsverloop in de grootste schadebranches
  • De Motor WA-markt toonde in 2025 opnieuw een slecht jaar met een verzekeringstechnisch rendement van -/-15%. Hiermee was 2025 het tiende verliesjaar op rij, ondanks een premiegroei van 7,0% — de hoogste van alle grote branches. De netto combined ratio staat op 115%. Het herstel dat DNB in 2018 signaleerde is na het slechte jaar 2023 (-/-20,1%) slechts moeizaam op gang gekomen.
  • Kleine verzekeraars doen het in deze branche relatief het best (-/-4,5%), maar zij vertegenwoordigen slechts €123 mln. van de €3,6 mld. Bij de grote verzekeraars staat de teller op -/-15,9%.
  • Motor Casco is stabiel winstgevend met +8%, maar blijft ruim onder het pre-covidniveau. Samen met Motor WA is het motorbedrijf nog altijd licht verlieslatend — de casco-winst compenseert het WA-verlies niet volledig. De marge op Casco bij grote verzekeraars daalt wel al jaren; bij kleine en middelgrote verzekeraars is deze stabiel.
  • De branche Brand liet wederom een goed jaar zien met een marge van +18% (2024: +13%). Het gunstige weerjaar is hierin direct zichtbaar. Opvallend: ondanks dat Brand de grootste branche betreft met het beste rendement in de hele reeks, koelde de premiegroei in deze branche het sterkst af, naar 3,3%. Grote verzekeraars scoorden het hoogst (+20%), kleine het laagst (+11%), grotendeels door hun hogere herverzekeringskosten.
  • Aansprakelijk­heid maakte in 2025 de grootste sprong: van +3% naar +7%, het beste jaar in de reeks sinds 2016. De grote verzekeraars trokken dit (+11%), terwijl kleine verzekeraars met -/-2% verlieslatend bleven in deze branche.

Het patroon is duidelijk, waar 2024 nog een gemengd beeld gaf, verbeterden in 2025 vrijwel alle grote branches tegelijk. De enige die structureel achterblijft, is Motor WA — en dat is precies de branche waar de premiegroei het hoogst is. Het moge hiermee duidelijk zijn dat de branche Motor WA in 2026 op het gebied van winstgevendheid ook weer de nodige aandacht zal behoeven.

Op weg naar Solvency II 2027

Per 30 januari 2027 wordt de herziene Solvency II-richtlijn (Richtlijn (EU) 2025/2) van kracht. Voor de Nederlandse schadeverzekeringsmarkt is dat meer dan een technische exercitie. De belangrijkste wijziging voor kleinere verzekeraars is het nieuwe proportionaliteitsraamwerk met de categorie Small and Non-Complex Undertakings (SNCU). Verzekeraars die deze status aanvragen en de benodigde criteria aantonen, krijgen aanzienlijke verlichting: een lagere frequentie voor de RSR, ORSA en beleidsherziening, vrijstelling van het liquiditeitsrisico beheersplan, een sterk beperkte duurzaamheidsrapportage en de mogelijkheid om sleutelfuncties te combineren. Ook worden de bovengrenzen voor Solvency II Basic verruimd, waardoor meer verzekeraars daaronder gaan vallen. Gegeven dat 38 van de 61 Nederlandse schadeverzekeraars in ons “klein”-segment vallen, raakt dit een groot deel van de markt. Daarnaast verandert de berekening van de SCR: de cost of capital in de risicomarge daalt van 6% naar 4,75%, er komt een tijdsafhankelijke λ-parameter, een nieuwe extrapolatiemethodiek voor de rentecurve en een portefeuille-gebaseerde berekening van de volatility adjustment. Voor schadeverzekeraars hebben deze aanpassingen doorgaans weinig effect (in tegenstelling tot levensverzekeraars). De voorgestelde aanpassingen in het catastroferisico (indexering van bruto bedragen, het bijstellen van het hagel-catastroferisico en het toevoegen van het overstromingscatastroferisico voor Nederland) hebben – afhankelijk van de mate van herver-zekering – wel aanzienlijke impact op de solvabiliteit. Uit de impactanalyse die DNB in mei 2025 uitvroeg, bleek dat het merendeel van de verzekeraars goed op de hoogte is van de wijzigingen. DNB tekende daarbij wel aan dat vooral kleinere verzekeraars nog niet beschikken over een transitie- of duurzaamheidsplan, terwijl de herziene regelgeving dat wel vraagt. Het Ministerie van Financiën consulteerde het implementatiebesluit in juli 2026; de contouren staan daarmee vast.

Tot slot

De Nederlandse schadeverzekeringsmarkt sluit 2025 af met een duidelijk sterker verzekeringstechnisch resultaat, een herstelde solvabiliteitspositie en een marktstructuur die voorlopig stabiliseert. Tegelijkertijd laat de analyse zien dat dit herstel niet vanzelfsprekend is: de groei zwakt af, weersomstandigheden hadden een gunstig effect op de schadelast en verschillen tussen verzekeraars blijven groot. Vooral op het gebied van kapitaalbenutting, LAC-DT en herverzekering liggen nog duidelijke kansen om rendement en weerbaarheid verder te verbeteren. Voor verzekeraars is 2026 daarmee een belangrijk jaar om de strategische keuzes achter premiebeleid, kapitaalsturing, herverzekering en voorbereiding op Solvency II 2027 opnieuw tegen het licht te houden. Wilt u weten wat deze ontwikkelingen betekenen voor uw organisatie, uw solvabiliteitspositie of uw herverzekeringsstrategie? Neem dan gerust contact met ons op. Wij denken graag met u mee over de kansen, risico’s en concrete vervolgstappen voor uw organisatie.

 

Infographic: Schadeverzekeraars boeken beste rendement sinds 2021

 

Wilt u dit artikel graag in PDF-formaat ontvangen? Download het artikel dan hier.

Wilt u de infographic graag in PDF-formaat ontvangen? Download de infopgraphic dan hier.

[1] Schadeverzekeraars exclusief herverzekeraars, ziektekostenverzekeraars of verzekeraars met alleen Inkomen.
[2] Dit percentage marktaandeel “groot” is gebaseerd op de segmentin-deling van vorig jaar, zie “Schadeverzekeraars 2024 – Arcturus.pdf”