Inflatieontwikkeling nader bekeken

Door Melchior Mattens – februari 2025

Na deze periode van verhoogde inflatie, verwacht DNB dat de inflatie in Nederland de komende jaren zal afnemen en dat er binnen een aantal jaar weer een situatie van prijsstabiliteit in zicht komt. Omdat de inflatie over de afgelopen jaren aanzienlijk hoger ligt dan historisch (en de streefwaarde van 2%), spelen de volgende vragen:

  • Welke inflatiecijfers zijn relevant voor de waardering van de technische voorzieningen van een schadeverzekeraar?
  • Hoe dient een schadeverzekeraar de inflatie te verwerken in de technische voorzieningen?
duurzaam

Welke inflatiecijfers zijn relevant voor de waardering van de technische voorzieningen van een schadeverzekeraar?

Inflatie voor een schadeverzekeraar wijkt vaak af van de Consumenten Prijs Index (hierna: CPI). Dit komt doordat de schaden die vergoed worden vaak een eigen inflatiepatroon kennen. Denk hierbij aan letselschaden, waar aanvullingen op de WA-dekking zoals affectieschaden geleid hebben tot een ander inflatiepatroon dan de CPI. Maar ook bouwmaterialen of auto-onderdelen kennen hele andere inflatiepercentages dan de CPI. Bovendien speelt in een verzekeringsportefeuille voor motorrijtuigen dat de afgelopen jaren auto’s steeds meer geïntegreerde techniek hebben gekregen, waardoor reparaties veel duurder zijn geworden. Oftewel, ook hier andere inflatiepatronen dan de CPI.

Macro-economisch zijn er twee belangrijke inflatiecijfers: de CPI en de kerninflatie. Het verschil tussen deze twee inflatiecijfers zit erin dat in de kerninflatie – in tegenstelling tot de CPI – geen inflatie op energie en voedsel wordt meegenomen. De ontwikkeling in lonen en materiaalkosten zijn de belangrijkste factor in de schadelastontwikkeling en energie- en voedselprijzen beïnvloeden deze alleen op de wat langere termijn. Daarom ligt het meer voor de hand om de kerninflatie als uitgangspunt te nemen om de verwachte inflatie voor de schadelast mee te bepalen. DNB geeft in de Najaarsraming (december 2024) inzicht in de verwachte ontwikkelingen van onder meer de kerninflatie. De kerninflatie komt volgens DNB over 2024 uit op 3,2%, dat is een afname ten opzichte van de 6,4% in 2023. Op de langere termijn blijft de kerninflatie stabiel.

In 2025 en 2026 verwacht DNB ook een kerninflatie rond de 3%. Deze kerninflatie en de verwachte ontwikkelingen daarin worden als maatstraf genomen voor de ontwikkelingen in de inflatie die specifiek zijn voor een verzekeringstechnische portefeuille. De kerninflatie wordt echter niet uitgesplitst naar onderliggende kostencategorieën. De CPI-cijfers worden daarentegen wél uitgesplitst door het CBS naar categorieën die – mits gecorrigeerd voor te verwachten effecten op basis van de kerninflatie – toepasbaar zijn voor specifieke verzekeringsbranches. Dit geeft het handvat om verzekeringsbranche specifieke inflatiecijfers in te schatten.

Inflatiecijfers per branche

Als basis voor het schatten van inflatiecijfers per branche zijn een aantal kostencategorieën in kaart gebracht.  In onderstaande tabel staan voor de opstal- en inboedelverzekering en voor Motor WA en Casco verzekeringen uitsplitsingen van relevante kostenontwikkelingen. Hierna wordt per branche de inschatting van het inflatiecijfer nader besproken. Merk op dat alle genoemde inflatiepercentages waar we hierna per branche op ingaan, per oktober 2024 zijn en opgeschaald dienen te worden naar de totale verwachte inflatie over 2024 op basis van de kerninflatieprognose. Ditzelfde geldt voor de projectie voor 2025, waarvoor de branchespecifieke cijfers per oktober 2024 geschaald worden naar de kerninflatie over 2025.

Bron: CBS

Opstal- en inboedelverzekering

Blijkens de CBS-cijfers staat de inputprijsindex bouwkosten van nieuwbouwwoningen[1] in oktober 2024 4,0% hoger dan een jaar eerder. We zien we dat deze prijsindex sinds midden 2024 stijgt door een stijgend component voor de loonkosten en een stabiliserende component voor de materiaalkosten. Daarnaast is er een inflatieontwikkeling op stoffering en huishoudelijke apparatuur te zien van -2,3%. Dit leidt tot een gemiddelde inflatie van 0,9% per oktober 2024.

Motor WA en casco verzekeringen

Voor Motor Casco kan een gemiddelde inflatie voor aanschaf van nieuwe voertuigen en inflatie voor onderhoud en reparatie van voertuigen worden aangehouden, hetgeen uitkomt op 2,0% per oktober 2024. Voor de Motor WA portefeuille moet rekening gehouden worden met een gecombineerde inflatie, waarbij voor materiële schaden (net als voor Motor Casco) uitgegaan kan worden van een gemiddelde inflatie van nieuwe aankoop van auto’s, alsmede reparaties van voertuigen.

Voor letselschaden ligt eerder de kerninflatie voor de hand, omdat deze vergoeding bestaat uit een mengeling van verlies arbeidsvermogen (VAV) en vergoeding van andere kosten.

Overige branches

Voor andere branches zoals AVP/AVB, Reisverzekeringen en Rechtsbijstand zien we dat hier een mengelmoes aan zaken vanuit vergoed kunnen worden. Er zit zowel een loonkostenaspect als vergoeding van verschillende materiële zaken in. Daarom is voor dergelijke branches het gebruik van de kerninflatie voor 2024 gerechtvaardigd.

Ook de bedrijfskosten stijgen door inflatie.  We kunnen aannemen dat deze voor een groot deel uit personeelskosten bestaan. Deze kosten zijn direct gebonden aan de CAO voor het verzekeringswezen. Een beste schatter voor de loonontwikkeling in 2024 en 2025 is de CPB-projectie voor de Cao-lonen van bedrijven.

Schaling naar volledig jaar 2024 en 2025

De besproken uitgangspunten leiden tot een overzicht van de voorgestelde te hanteren inflatiepercentages per branche en voor de kosten. Hierbij moet worden opgemerkt dat de uitkomsten van de inflatiepercentages per branche gebaseerd zijn op de cijfers per oktober 2024, waarbij de CPI op 3,5% staat. Wanneer we deze generiek schalen met de verhouding van de CPI-stand per oktober 2024 naar de jaarprojectie van DNB voor de kerninflatie (3,2%) dan ontstaat er een reëler beeld voor het gehele jaar 2024.

We zijn echter niet alleen op zoek naar de inflatie, maar eigenlijk naar de ‘additionele inflatie over 2024’. In de modellering van de technische voorzieningen is immers impliciet de langjarige inflatietrend al verwerkt, doordat deze in de historische schade-cijfers zit. De langjarige inflatietrend veronderstellen we gelijk aan het streven van de ECB om de inflatie langjarig gemiddeld op 2,0 % te houden, behalve voor Opstal, Inboedel en Motor WA. Voor deze branches hebben we specifiek onderzoek gedaan naar de langjarige inflatietrends en deze liggen hoger dan de 2% streefinflatie van DNB (hetgeen in een lagere additionele inflatie resulteert).Voor Opstal en Inboedel is hiervoor gekeken naar de CBS-index voor de ontwikkeling van de bouwkosten tussen 2016-2021. Voor WA is gekeken naar het sectorbeeld van een reële ontwikkeling van de inflatie op letselschaden en materiële schaden en komen gewogen op 3% uit. Door dit in mindering te brengen op de cijfers voor 2024, resulteert een additioneel inflatiecijfer voor 2024 per branche. De inflatie ligt alleen voor de branches AVP/AVB en Overig net boven de CBS langjarige inflatie. Als het materieel is voor deze branches kan deze additionele inflatie gebruikt worden in de modellering van de technische voorzieningen.

Voor 2025 wordt de geprojecteerde kerninflatie van DNB gebruikt om de branche specifieke inflatiecijfers mee te schalen. Voor de kosteninflatie wordt de projectie van het CPB gehanteerd voor beide jaren 2024 en 2025.

Dit resulteert in de volgende inflatiecijfers voor 2024 en 2025 (met aanname 50%/50% voor Letsel en Materieel bij Motor WA):

2024

Tabel 1: Inflatiecijfers 2024

2025

Tabel 2: Inflatiecijfers 2025

Technische voorzieningen Solvency II

De invloed op de schadevoorzieningen, de voorziening voor schadebehandelingskosten en de premievoorzieningen wordt hieronder nader toegelicht.

Schadevoorzieningen

Schadeverzekeraars die de Chain-Ladder modellering gebruiken, hebben te maken met de impliciete modelassumptie dat er langjarig een ongeveer gelijkblijvende inflatietrend per kalenderjaar in de schadelast zit. Vanaf 2022 wordt duidelijk van deze assumptie afgeweken, omdat de inflatie van deze jaren aanzienlijk hoger ligt voor de verschillende verzekeringsbranches dan het langjarig gemiddelde.

Omdat de inflatie over 2022-2023 inmiddels verwerkt is in de stand van dossiervoorzieningen en schadebetalingen, ligt de stand van de geleden schadelast als gevolg van de inflatie in die jaren al hoger dan in de situatie zonder de inflatie in 2022-2023 (deze geleden schadelast is dus al gecorrigeerd) en is er voor de inflatie over 2022-2023 geen correctie meer nodig op de ultimate schadelast. Wel zal de inflatie over 2024 en 2025 nog niet geheel in de geleden schadelast verwerkt zijn. Echter, door de dalende inflatie is er voor de meeste branches geen correctie meer nodig.

Als het materieel is kan voor de verwachte schadekasstromen vanaf 2024 voor de branches AVP/AVB en Overig wel een ophoging voor inflatie plaatsvinden voor alle nog openstaande schaden.

Deze kasstromen moeten voor 2025 en verder cumulatief worden opgehoogd met de additionele inflatie over 2024 en 2025. Dit komt doordat we veronderstellen dat, ongeacht het schadejaar, elke nog niet afgehandelde schade met de branche-specifieke inflatie meestijgt, waarbij het effect in 2025 cumulatief verwerkt wordt over het effect van 2024 in de kasstromen van de schadevoorziening. Alle kasstromen worden dus met dezelfde factor verhoogd. Hierbij dient er ook rekening gehouden te worden met het gegeven dat de eerste kasstroom gedurende het kalenderjaar 2025 plaatsvindt. Hierdoor is deze kasstroom niet 100% blootgesteld aan de additionele inflatie van 2025.

Er lijkt geen reden te zijn om aan te nemen dat de betalingspatronen van de schadevoorziening significant veranderen door de inflatie. Wel is het belangrijk om per branche te monitoren wat de impact is van hogere betalingen op de geschatte duration van de afhandeling van voorzieningen. Per eind oktober 2024 is hier nog weinig inzicht in te verschaffen. Wel kan tijdens het jaarwerk hiervoor branche specifiek in bijzondere gevallen op basis van expert judgement een aanpassing worden gemaakt en kan inzichtelijk worden gemaakt of de betalingspatronen op de diagonaal sterk gewijzigd zijn ten opzichte van de historie.

Voorziening voor schadebehandelingskosten

In de voorziening voor schadebehandelingskosten wordt ook gebruik gemaakt van een impliciete kosteninflatiecomponent. De aanpassingen voor 2024 en 2025 kunnen worden uitgevoerd door de kasstromen zoals geschat met een model voor de schadebehandelingskostenvoorziening te verhogen met de additionele kosteninflatie. Alle toekomstige kasstromen worden verhoogd met de additionele inflatie over 2024 en 2025 zoals dit ook voor de schadevoorziening gebeurt. Qua inflatie voor de schadebehandeling kan de verwachte ontwikkeling van de Cao-lonen worden toegepast, omdat lonen de belangrijkste component in de kosten voor de schade-afhandeling betreffen.

Premievoorzieningen

Bij de premievoorziening spelen de verwachte schaderatio, de kostenratio, de herverzekerde schadelast, het verwachte royement en het afwikkelpatroon van de schadelast een rol.

Voor de premievoorziening is het belangrijk dat de Combined Ratio (COR) op een adequate manier wordt aangepast aan de inflatieverwachting. Op basis van een langjarig gemiddelde van de (jaarlijkse) schaderatio’s wordt de verwachte toekomstige schaderatio vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de historische inflatie en premie-bijstellingen (algemene inflatiecorrectie-methodiek). Ultimo 2024 moet er echter met 2 zaken rekening worden gehouden:

  • De additionele inflatie over 2024 en 2025, die de schaderatio verhoogt;
  • Bijgestelde tarieven waarin inflatie is verwerkt, die de schaderatio verlaagt.

Door de premie- en schadebasis te corrigeren voor beide effecten ontstaat er een zuivere schatting van de schaderatio. De inflatie over 2024 en 2025 kan als product verwerkt worden in de schaderatio, omdat de schadekasstromen voor zowel de onverdiende premievoorziening als de toekomstige premies pas in 2025 tot uitkering komen.

Voor de kostenratio spelen dezelfde overwegingen, alleen wordt er een andere inflatiecorrectie toegepast op de kosten dan er voor de schadelast gehanteerd wordt, namelijk de verwachte loonkostenontwikkeling (als belangrijkste component in de (indirecte) kosten van verzekeraars). Voor herverzekering geldt dat de inflatieaanpassingen in de herverzekeringspremie en commissie verwerkt zijn in contractuele percentages zoals wordt vastgesteld bij de renewal van de herverzekeringscontracten. Voor de herverzekerende schadelast in de premievoorziening geldt dat de herverzekerde schaderatio bepaald blijft worden o.b.v. de bruto schaderatio maal het quota share percentage en o.b.v. langjarige Excess of Loss opbrengsten (gecorrigeerd voor historisch aangepaste Quota Share percentages en eigen behouden). Deze ratio geeft de herverzekerde schadelast aan t.o.v. de bruto schadelast. Deze bruto schadelast is a.d.h.v. benoemde methodiek adequaat aangepast voor de inflatieverwachting, waardoor de herverzekerde schadelast ook automatisch voldoende is aangepast.

De economische omstandigheden leiden mogelijk ook tot hoger royement in tijden van recessie. Het onderstreept het belang voor schadeverzekeraars om een uitgebreide gevoeligheidsanalyse te maken op hun aannames rondom royement.

Evenals voor de schadevoorziening kan het zijn dat een tijdelijk hogere inflatie impact heeft op het uitlooppatroon van de premievoorziening. Net als bij de schadevoorziening lijkt er geen reden te zijn om dit patroon aan te passen, maar als het op basis van expert judgement wel wordt gedaan, dan is het raadzaam om dit in de premievoorziening ook over te nemen.

Meer weten over de impact van inflatie op uw bedrijfsvoering? We denken graag met u mee. Neem gerust contact met op met Melchior Mattens. 

Wilt u dit artikel graag in PDF-formaat ontvangen?
Download het artikel dan hier.